Ons onderwijssysteem was lange tijd een succesverhaal. Het was de motor achter verschillende emancipatiebewegingen, en vormde de basis voor onze kenniseconomie.
Maar het systeem loopt vast. De emancipatiemotor hapert en kansenongelijkheid neemt toe. Er ontstaat een steeds grotere kloof tussen ‘hoog’- en ‘laagopgeleid’, die de samenleving splijt en een groot deel van Nederland benadeelt. En ook wie een vervolgopleiding volgt, heeft eerder studiestress dan studielol.
Tegelijkertijd is er schreeuwend behoefte aan mensen met relevante kennis en competenties – theoretisch en praktisch. Ook hier schiet het huidige onderwijs tekort. De huidige samenleving vraagt om een mozaïek van leren, werken en leven, waarbij onderwijs continu, op verschillende plekken en momenten, plaatsvindt. Dit vraagt wel een grote verandering in ons systeem: in hoe we leren, waar we leren, en wanneer we leren.
Gelukkig zien we overal nieuwe initiatieven ontstaan, van basisonderwijs tot universiteit. Deze hervormingen komen niet (alleen) vanuit beleid, maar juist (ook) vanuit de school- en universiteitspraktijk. Een wirwar van initiatieven, waarbij het soms ook nog niet duidelijk is wat wel werkt en wat niet.